Het geschenk


Hij trok het schuifken open,

het knaapje stond aan zijn zij

en zag het uurwerk liggen:

'Och, Grootvader, geef het mij!'


'Ik zal het u wel eens geven,

toekomende jaar misschien,

als gij wel leert en braaf zijt,'

zei de oude,  'wij zullen zien.'


'Toekomend jaar!', sprak het knaapje,

'o, grootvader, maar dan zoudt

ge lang reeds kunnen dood zijn:

ge zijt zo ziek en zo oud!'


En de oude stond te peinzen,

en hij dacht: het is wel waar…

En zijn lange vingeren streelden

des knaapjes krullend haar.


Hij nam het zilveren uurwerk

en de zware keten er bij,

en lei ze in de gretige handjes.

‘'t Komt nog van uw vader,' sprak hij.


Daar was een grafje gedolven;

de scholieren stonden er rond,

en een oud man boog met moeite

nog eene knie naar de grond.


Het koele morgenwindje

speelde om zijne haren zacht;

het gele kistje zonk neder…

Arm knaapje, wie had dat gedacht?


Hij keerde terug naar zijn woning,

De oude vader, en weende zo zeer,

en lei het zilveren uurwerk

in 't oude schuifken weer.




1870 Rosalie Loveling, 19 maart 1834 – 4 mei 1875

Uit: 300 verzen op zak, Herman De Cat, gedicht 18