Mijn kattenleven

Daar lag ik dan, ik kleine kater
in een doos half vol met water.
Mijn vader en moeder dood
geen eten nog geen korstje brood.
Ik was net veertien dagen oud,
was doornat en vreselijk koud.
Zo werd ik daar toen aangetroffen.
Net op tijd dus dat was boffen.
Een lieve dame zag mij aan,
zij was zeer met mijn lot begaan.
Op naar de dierenarts met spoed.
Deze zei: ‘Het komt wel goed.
Als u om de twee uur een flesje geeft
denk ik dat hij het overleeft’.
Die dame had geen tijd voor zo een klus
dus bracht ze mij snel naar haar zus.
‘Zus, luister even, kijk eens hier,
wil jij zorgen voor dit dier?
Om de twee uur moet hij een fles’.
Natuurlijk zei haar zusje: ‘Yes’.
Zij nam mij liefdevol in huis
een van haar zonen zei: ‘Ha, Pluis’.
Dat werd dus in 't vervolg mijn naam,
plots was ik blij met mijn bestaan.
Ik dronk uit een poppenfles, jawel!
Dit zorgde voor een snel herstel.
Jammer dat ik daar niet blijven mocht,
nieuwe meubels, pas gekocht!
Een prachtig bankstel van echt leer
en katjes gaan nogal tekeer.
Dus ging ik, Heer Kat Pluis,
wonen in een ander huis.
Een leuk gezin, ook met z’n vieren,
ook zij hielden veel van dieren.
1k kreeg het daar wel naar mijn zin,
kon er zelf uit en ook weer in.
Muizen en vogels ging ik vangen
en fijn in de gordijnen hangen.
Eten en liefde in overvloed
dat deed mijn kattenhartje goed.
Op een dag dat was wel leuk,
hing er in huis een kwalijke reuk.
Baas en vrouw kropen in het rond
met hun neus dichtbij de grond.
Zo is het ervan gekomen
dat mijn trots mij werd ontnomen.
Er was nog iets dat mij niet zinde.
Het baasje kon zijn draai niet vinden.
Dat verhuizen keer op keer
wennen was het telkens weer.
Nu nog kan ik daarom treuren,
het erge, moest toen nog gebeuren.
Je gelooft het nooit, het werd wel bont,
de baas en vrouw kochten een hond.
Eigenlijk had ik dubbel pech,
er was een baby onderweg.
Hond kwam als eerste bij ons binnen,
dus kon ik mooi met hem beginnen.
Ik zei: ‘Hond, moet jij eens even horen,
jij komt hier mijn rust verstoren
en daarom wil je iets zeggen,
probeer je daarbij neer te leggen.
Ik ben een kat, mijn naam is Pluis,
en heb het eerste recht in huis.
Heus ik meen het serieus,
ik haal het vel zo van je neus.
Ik mag bij de vrouw op schoot,
haal dus weg die dikke poot.’




Joris, zo noemde ze dat beest,
maakte van iedere dag een feest.
Hij voelde zich al heel snel thuis.
Het was niet langer meer mijn huis.
Ik dacht: Daar maak ik een einde aan,
ik zorg wel dat die hond zal gaan.
‘Hond, mieter op, je ben zo hinderlijk.
Ook ben je nog niet zindelijk.
Je eten schrok je zo naar binnen,
je bent al klaar als ik nog moet beginnen.
Het hielp niet veel al mijn gezeur.
En niemand wees dat beest de deur.
Toen deed hond iets onvergefelijks,
iets heel, heel erg vreselijks.
Hij pieste tegen alle bedden.
Het vrouwtje schreeuwde. Ik dacht ‘wedden’,
nu moet hij natuurlijk weg.
Dat ging niet door, ik had dus pech.
Joris ging met piesen door.
Hij nam er zelfs de stoelen voor.
Ten einde raad was ze, de vrouw.
Die rothond had niet eens berouw.
Wel zijn ze naar de dierenarts gegaan
ook met hond zijn ... was het gedaan.
Aardig is het niet, maar ik had wel plezier.
Nu waren we beide een weet-je-wel dier.
Toen gebeurde er iets wat ik heel zielig vond.
De vrouw liep niesend in het rond.
De dokter vertelde haar dat ze allergisch was,
een wijze raad kwam wel van pas.
De beesten moesten uit het huis.
Zij zei: ‘Mijn Joris en mijn Pluis!
Geen beest gaat er bij mij weg,
ik allergisch, domme pech.’
Met hond werd het toch nog vrede.
Ik was gelukkig en met reden.
We raakten aan elkaar gewend.
Baby werd een hele vent.
Zij zijn lief voor mij geweest,
al was ik soms een vreselijk beest.
Ook ik deed wel eens wat in huis,
dan riepen ze:
‘Wat ben je toch een rotkat, Pluis!’
O! dit is nog een hele mooie.
Ooit zat het huis barstensvol vlooien.
Ik vond het eigenlijk wel leuk,
iedereen stikte van de jeuk.
De spuitbus kwam er aan te pas
en nijdig dat het vrouwtje was.
Soms was ik ziek en wat lamlendig,
dan hielp ze mij, ja heel behendig.
Nu ben ik vijftien jaar en oud,
ben mager, heb het voortdurend koud.
Ik heb vrede gesloten met
die Van Hondenvreugd,
dat doet mijn kattenzieltje deugd.
Ik kijk terug met veel plezier
op mijn leven als een dier.

Pluis


Pluis